Probleemstelling Het
stomen van bedrukt textiel is omgeven met veel mystiek. In
de literatuur worden regelmatig beschijvingen gegeven van
het proces die vaag zijn en soms zelfs klinkklare onzin. De
onderliggende chemische en fysische wetmatigheden zijn
echter reeds tientallen jaren bekend en beschrijven het
proces in kwalitatieve zin uitstekend. Het puur theoretische
model van adsorptie en reaktiekinetiek is echter zeer
moeilijk kwantitatief toepasbaar. Door de grote hoeveelheden
invloedsvariabelen zoals de reaktieve groep(en),
molekuulgrootte, pH, ionsterkte, kleurstofaffiniteit aan het
substraat, chemicalien in de drukfilm, redoxpotentiaal,
vochtgehalte, temperatuur, wijze van drukken, soort
substraat, specifiek oppervlak van het substraat,
restchemicaliën op het substraat, en zo kunnen er nog
zeker tientallen variabelen meer aan het proces worden
toegevoegd. Het oplossen van de, veelal onderling
afhankelijke, differentiaalvergelijkingen is vrijwel
ondoenlijk. Oplossing De
kwalitatieve beschrijving van het stoomproces is voldoende
om maatregelen te nemen om te komen tot een zo optimaal
mogelijk stoomproces. Ten aanzien van de optredende
problemen en de resulterende effecten kan een relatief
eenvoudige beschrijving volstaan. Startsituatie Bij het
bedrukken van textiel is het doel het lokaal aanbrengen van
een vooraf gedefinieerde kleur. Op basis van de gewenste
toepassing wordt een kleurstofgroep gekozen uit de
beschikbare groepen van de pigment, reaktief, dispers, zure,
basische en kuipkleurstoffen. Al deze kleurstoffen worden in
een zeefdruk of inkjetdruk proces op de juiste plaats op het
substraat aangebracht. De voor de fixatie benodigde
chemicalien worden veelal gelijktijdig aangebracht door ze
toe te voegen aan de drukpasta (eenfase processen). Soms is
dit niet mogelijk of voordeliger om dit achteraf te doen en
worden deze chemicaliën in een tweede processtap
aangebracht. Bij de inkjetdruk zijn de chemicaliën
meestal reeds voor het eigenlijke printen op het substraat
aangebracht. Voor de
kleurstofgroep pigment is een zeer eenvoudige
warmtebehandeling met lucht voldoende om de aanwezige binder
te laten reageren. Hierbij kan relatief weinig fout gaan
zodat deze groep verder buiten beschouwing wordt
gelaten. Uitgangspunt
bij het stomen is altijd een stuk textiel waarop de
kleurstof en de chemie aanwezig is en het doel is de
kleurstof te fixeren aan/in het substraat. Het stoomproces
voor reaktiefkleurstoffen is het meest complex en zal worden
gebruikt voor de beschrijving van de optredende
processen. Stoomproces
stap 1: invoer Bij het
invoeren van het textiel in de stomer zal het koude en droge
substraat opgewarmd worden door de condensatie van stoom.
Door de enorme energieinhoud van de stoom vindt dit proces
in zeer korte tijd plaats, typisch binnen enkele tienden van
een seconde tot enkele seconden. Het substraat is dan 100
°C en bevat ca 4% meer vocht dan bij invoer. Stoomproces
stap 2: oververhitten Het
substraat dat gebruikt wordt bij reaktiefkleurstoffen is
meestal hydrofiel ofwel water-minnend. Dit is een zeer
belangrijk gegeven, namelijk voor de hierbij behorende
adsorptie-evenwichten. In een stoommilieu heeft ieder
substraat een evenwichtsrelatie tussen temperatuur en
vochtgehalte. Dit is beschreven door een zogenaamde
adsorptie-isobaar en ziet er als volgt uit: De
adsorptie-isobaar bepaalt het verloop van het
adsorptieproces en het eventuele ontstaan van
oververhitting. Als het substraat een temperatuur heeft van
100 °C maar het vochtgehalte afwijkt van de door
adsorptie-isobaar bepaalde evenwichtswaarde, zal het
substraat verder opwarmen tot er een temperatuur wordt
bereikt waarbij er wel sprake is van een evenwicht tussen
temperatuur en vochtgehalte. Afhankelijk van het soort
substraat en het beginvochtgehalte, kan de temperatuur door
de oververhitting wel tot ca 130 °C oplopen. Het
substraat is nu enkele graden tot zelfs een tiental graden
oververhit. Laten we een voorbeeld nemen van 110 °C
waarbij het vochtgehalte nog eens ca 0.5% stijgt t.o.v.
einde stap 1. Bij
sommige kleurstofgroepen/chemie treden bovendien nog
exotherme reakties op die de temperatuur additioneel
verhogen. Stoomproces
stap 3: afkoelen Het
substraat is, hoe onwaarschijnlijk het in eerste instantie
ook moge klinken, nu warmer dan de stoomomgeving waar de
temperatuur iets meer dan 100 °C is. De stoomomgeving
is dus koeler zodat ook het substraat zal afkoelen. Bij een
kleine afkoeling schrijft het adsorptie-evenwicht voor dat
het vochtgehalte toeneemt (zie figuur X). Dit vocht kan
uitsluitend uit de gasfase worden opgenomen waarbij dus
wederom adsorptie-energie vrijkomt. Deze energie bedraagt
ongeveer 2500 Joule per gram en is dus iets groter dan de
pure condensatie-energie. Al deze vrijkomende energie kan in
een stomer uitsluitend via de omringende stoom worden
afgevoerd. Bij een temperatuurtoename van de stoom van 100
naar 110 °C neemt een gram stoom ongeveer 20 Joule
energie op. Om dus de energie van een gram geadsorbeerd
water te verwijderen is ca 2500/20=125 g stoom nodig. Dit
komt overeen met 400 liter stoom. Het
substraat zal door deze enorme hoeveelheid energie dus
slechts zeer langzaam afkoelen en dan alleen nog indien er
voldoende stoom langs het substraat stroomt. Het overdragen
van de warmte gaat niet eindeloos snel. De zogenaamde
warmteoverdrachts-coefficient is vrij laag en kan door
sneller stromen slechts enkele malen vergroot worden. Indien
echter de stoom in de buurt van het doek niet wordt
afgevoerd en vervangen door koelere stoom, dan zal er
helemaal geen afkoeling optreden. In de praktijk is in
eerste instantie deze hoeveelheid geconditioneerde stoom per
hoeveelheid substraat belangrijk. Afhankelijk
van de omstandigheden zal het substraat de stomer na een
verblijftijd van enkele tot een tiental minuten weer
verlaten. De situatie kan zich voordoet dat het
afkoeltraject dan nog niet volledig doorlopen is. Indien dit
wel het geval is, dan is het substraat na het afkoelen op
dezelfde temperatuur als de stoom en is het vochtgehalte
hoog, in geval van viskose kan dit wel 25% zijn. Stoomproces
stap 4: evenwicht In de
voorgaande stappen is het substraat op een temperatuur van
iets boven 100 °C gebracht en een hoog vochtgehalte. In
deze situatie zijn de ideale fixatie-omstandigheden
gecreëerd en deze toestand moet zo snel mogelijk na
invoer van het substraat bereikt worden. Stoomproces
vanuit de kleurstof In de
voorgaande stappen is het fysische proces van oververhitten
beschreven. Dit oververhitten en het lage vochtgehalte heeft
invloed op de diffusie (verplaatsing) van de kleurstof naar
het substraatoppervlak. Het vochtgehalte is laag gedurende
de oververhitting waardoor de kleurstof zich niet goed kan
verplaatsen naar het substraat. Het zal dus niet fixeren
aangezien het nooit het substraat bereikt. Het verlengen van
de stoomtijd heeft in een enkel geval resultaat, echter de
ongewenste chemische nevenreakties verhinderen dit in de
meeste gevallen. Stoomproces
vanuit de machineopzet Met
behulp van kennis van de chemie en fysica is duidelijk
gemaakt wat de effecten zijn van een slechte
temperatuurbeheersing bij het stoomproces. Trage afkoeling
leidt tot slechte fixatierendementen. Temperatuurverschillen
leiden tot kleurverschillen. In de fixatieruimte moet een
egale reproduceerbare temperatuur heersen. Daarnaast moet
men in staat zijn de vrijkomende adsorptiewarmte snel af te
voeren. Een niet-uniforme temperatuur in de fixatieruimte,
bijvoorbeeld een temperatuurverschil tussen de linker- en de
rechterkant in de stomer, zal leiden tot verschillen in
fixatierendement en daardoor tot zichtbare
kleurverschillen. De
Portafix Universal is ontworpen om de temperatuurbeheersing
van het substraat zo optimaal mogelijk te maken. De kern
hierin is de grote recirkulatie van stoom die bovendien door
verhitting en koeling op de juiste, ingestelde waarde wordt
gehouden.

Kleurstof kan namelijk naast met het substraat ook met
andere stoffen uit de drukpasta reageren. Terwijl de
diffusie naar het substraat moeilijk verloopt, gaan de
nevenreakties gewoon door. Kleurstof die een nevenreaktie
heeft ondergaan kan niet meer reageren met het
substraat.
In een notedop is dit de reden dat oververhittig van het
substraat en een bijbehorend laag vochtgehalte ongewenst
zijn als men geïnteresseerd is in een hoog
fixatierendement en daarbij behorende diepe, briljante
kleuren.
|
© 2007 SETeMa B.V. |